|
Als Gamel Abdel Nasser in de zomer van 1956 het Suezkanaal nationaliseert, voelen de vroegere koloniale machthebbers Frankrijk en Engeland zich geroepen zijn uitdaging te trotseren. Samen met Israël beramen ze een invasie om de Egyptische president ten val te brengen. De Sovjet-Unie is echter niet van plan haar pas verworven bondgenoot te verliezen. Een spion in de hoogste kringen van het Brits-Frans-Israëlische bondgenootschap zorgt ervoor dat de Russen hun tegenstanders steeds een stapje voor kunnen zijn...
paperback 284 pagina's • oktober 2004 Manteau • Nederlands • ISBN 9789022318256
De Russische geheime dienst weet dat Victor van Ransbeek zijn vermogen tijdens de laatste wereldoorlog op criminele wijze heeft verworven. Ze chanteren hem hiermee en dwingen hem te spioneren. Hij gaat als kolonel in actieve dienst om te achterhalen welk aanvalsplan de Fransen, Britten en Israëliërs hebben om het regime van de Egyptische kolonel Nasser omver te werpen om zo diens nationalisering van het Suezkanaal ongedaan te maken. Van Ransbeek is niet van plan om voor de Russen te buigen en huurt een privé-detective in. Terwijl de Suezcrisis het hoogtepunt nadert, voert Van Ransbeek een verbeten strijd voor zijn vrijheid en zijn vermogen. Maar het spionageweb waarin hij terecht is gekomen, is groter en taaier dan hij dacht.
De Nederlandse pers over Bezettingsgeld:
Een spannende en ingenieuze thriller die ons terugvoert naar Frankrijk en België ten tijde van de Tweede Wereldoorlog. Uit het juryrapport van de Gouden Strop
Knap geschreven, heeft een interessante plot en blinkt vooral uit door de manier waarop Moragie de schimmige, bevreemdende sfeer van de eerste oorlogsjaren weet neer te zetten. De Volkskrant
Voorpublicatie
I
Kapitein Jules Granger las de brief voor de tweede maal met evenveel ongeloof als de eerste keer. Zijn ogen gleden met een ingespannen blik over de letters en woorden, alsof hij er dank zij een uiterste concentratie alsnog een bevestigende betekenis in kon lezen. Het antwoord van luitenant-kolonel Victor van Ransbeek bleef echter ontkennend: hij sloeg het aanbod beleefd maar beslist af. "Merde, hoe is dat nou toch mógelijk?!", riep hij onthutst uit. De kapitein, die zelf al meer dan een jaar vergeefs wachtte op een bevordering, kon vooral niet vatten, dat iemand een promotie tot kolonel van de hand wees. Maar het ging er niet om wat híjzelf zou doen in zo’n geval, het ging erom, dat Van Ransbeek niet op het aanbod inging. Voor Granger betekende deze ogenschijnlijk snel en zonder veel nadenken genomen beslissing niets meer of minder dan een ramp. Terwijl hij het bakelieten telefoontoestel naar zich toetrok en met zijn rechterwijsvinger een nummer begon te draaien, zag de kapitein dat zijn hand trilde. Tienduizend frank speelschulden die hij niet kon betalen en tienduizend frank die hij zwart in zijn zak had kunnen steken als die stomme Van Ransbeek op het aanbod was ingegaan. Het had zo eenvoudig geleken en nu dit… De lijn ging aan de andere kant over met een zwaar gebrom. Granger wierp een vlugge blik op de wandklok: tien uur. De collega met wie hij een kamer deelde in het Ministerie van Landsverdediging zou pas rond half twaalf terug zijn. "Allo, met wie heb ik de eer?" meldde iemand zich. De stijve formulering stond in schril contrast met de slaperig klinkende stem. "Met Granger. Ik heb laatst die hengeluitrusting van u gekocht, maar de vissen willen absoluut niet bijten." Er kwam niet direct een antwoord. De kapitein moest zich bedwingen zijn openingszin te herhalen. Hij voelde over heel zijn lichaam zweet uitbreken. Dat ging hier nog stinken straks. "Ja, dan zult u ander aas moeten gebruiken, monsieur." "En heeft u dat aas?" Te snel eruit geflapt, dacht hij. Het leek alsof hij van zijn taak af wilde. Dat was zo, maar hij mocht die indruk niet wekken, anders kon hij ook naar zijn geld fluiten. Weer duurde het enkele lange en van elk geluid ontdane seconden eer het antwoord kwam. De stem klonk wel al veel minder slaperig. "U heeft toch wel nauwgezet al mijn aanwijzingen opgevolgd, monsieur?" Granger voelde zich tot in zijn opgeschoren nek rood worden. Dacht die man dat hij een klein kind was in plaats van een beroepsofficier? Het getypte vel met de mysterieuze boodschap had hij opgevouwen en met een paperclip aan de officiële brief bevestigd. "Vanzelfsprekend. Ik ben geen beginneling, monsieur." "Dan zal ik eens in mijn eigen doos met wurmen en ander aas zoeken. Ik weet dat ik er iets in heb zitten dat zelfs de dikste snoek doet toehappen, maar dat zal ik eerst zelf eens uittesten. Kunt u mij over twee dagen nog eens bellen?" Opluchting en teleurstelling streden om de bovenhand bij Granger toen hij de hoorn op de haak legde. Waarschijnlijk kon hij die tienduizend frank wel vergeten, maar als Van Ransbeek het aanbod alsnog aannam moest iemand hem toch in de gaten houden op het ministerie – en dat hoefde natuurlijk niet voor niets. Alles was dus nog niet verloren. En als de Staatsveiligheid hem had afgeluisterd, dan mochten ze gerust een kijkje konden nemen in het schuurtje achterin zijn tuin. Daar stond een pracht van een werphengel. Zo goed als ongebruikt, maar dat zag je er niet aan.
De ijzeren grille viel piepend in het slot en de lift zette zich met een krakend geluid in beweging naar de derde verdieping. Zeev Goldstein probeerde een verontschuldigende uitdrukking op zijn benige gezicht te leggen toen hij zich omdraaide in de smalle liftcabine. De ergernis was van het gelaat van elk van zijn drie gasten af te lezen. Een lange vliegreis, een haastige kennismaking op Zaventem, een ongemakkelijke rit door de met lossende vrachtwagens verstopte straten van Brussel in een veel te kleine, want onopvallende personenwagen – en nu dit weer. De attaché van de Israëlische ambassade had zijn invités meegenomen naar een vervallen herenhuis in de Koningstraat, nabij de Botanique. Kolonel Mangin had zijn misprijzende blik over de volle lengte van de afbladderende gevel laten gaan. "Wat wilt u? Anonimiteit heeft zijn prijs," had Goldstein wat lacherig opgemerkt toen de Franse militair zijn staalharde blik weer op hem had laten rusten. In werkelijkheid had de ambassade eenvoudigweg het geld niet om een chique onderkomen te huren. Kolonel Zvi Harstein zuchtte hoorbaar opgelucht toen de lift de derde verdieping bereikte. Hij liet de generaal eerst uitstappen en wierp enkele nerveuze blikken door de verlaten hal terwijl Goldstein met de half verroeste sleutel het slot van de voordeur trachtte open te krijgen. Het massief houten gevaarte zwaaide moeizaam open en met een breed gebaar van zijn rechterarm nodige Goldstein zijn gasten uit binnen te treden. Terwijl de drie militairen plaats namen op de twee leren banken controleerde Goldstein systematisch of alles er nog net zo bij stond als hij het gisteren had achtergelaten. De zware gordijnen waren gesloten, wat het felle zonlicht buiten niet verhinderde de ruime kamer in een schemerachtig licht onder te dompelen. De flessen sterke drank en de glazen op het barmeubel waren onaangeroerd. Goldstein zette één van de grote ramen op een kier om de kleffe warmte enigszins te verdrijven. Daarna schonk hij elk van de drie heren een groot glas vol whisky en haalde hij op verzoek van de Fransman wat ijsblokjes in de keuken. Terwijl hij het gevoel, dat ze hem behandelden als een veredeld dienstmeisje van zich probeerde af te zetten luisterde hij gespannen naar elk woord dat er gezegd werd. De recente gebeurtenissen hadden deze geheime, haastig geïmproviseerde ontmoeting plotseling een veel groter politiek gewicht gegeven. "We zullen de levering van het laatste contingent Mystères moeten vervroegen," zei Mangin, terwijl hij zich met het glas in zijn hand vooroverboog. "Daar staat tegenover, dat Frankrijk zekerheid dient te krijgen over een Israëlische aanval op onze voorwaarden, dat wil zeggen op een door ons gewenste tijdstip en volgens een door ons goedgekeurd plan." Goldstein kon een glimlach maar nauwelijks onderdrukken. De Fransman klonk alsof hij een eis stelde, maar in werkelijkheid had wat nu al de 'Suez Crisis' heette de rollen op een subtiele manier omgedraaid. De attaché zag, dat de Israëlische generaal dit ook besefte. Van iemand met slechts één oog kon je moeilijk zeggen welke blik hij had, maar Goldstein voelde de onderhuidse genoegdoening. Hij wist echter ook, dat de generaal er alles aan zou doen om de trotse Fransman volledig in zijn waarde te laten. "De aanval op Egypte staat wat ons betreft honderd procent vast" – hij sprak de Franse woorden één voor één uit, wat het belang van elk ervan alleen maar leek te onderstrepen - "maar een optimale coördinatie is nu meer dan ooit nodig. Ik bedoel daarmee niet zozeer een militaire als wel een politieke. Tenslotte zijn het uw regering en die van Engeland die zich het meest aan de internationale publieke opinie gelegen laten liggen. De jongens met de haakneuzen zullen voor u in de kastanjes uit het vuur moeten halen " Die was raak. Goldstein zag, dat Mangin even op zijn onderlip beet vóór hij antwoordde. "Dat is helaas niet een zaak van militairen onder elkaar, maar van politici. Wat de Franse regering betreft kan ik u gelukkig mededelen, dat premier Mollet zo standvastig is als een huis: Nasser moet weg, hoe dan ook." De generaal liet een droge lach horen: "En dat voor een socialist, nietwaar? In dat opzicht lijkt hij op onze socialisten. Geen wonder dat Mollet en Peres het goed met elkaar kunnen vinden. Konden we hetzelfde maar zeggen van de Britse conservatieven." "De Times heeft Eden al enkele malen onder vuur genomen," waagde Goldstein het op te merken. "Ook deze week werd hem weer angsthazerij verweten." De anderen keken de attaché aan als priesters die naar een schuine mop hadden moeten luisteren. Zenuwachtig beet hij op de binnenkant van zijn wang. Bek dicht en luisteren, beval hij zichzelf kwaad. "Meneer Goldstein heeft helaas gelijk," zei de generaal. "De Britse regering is de onstabiele factor in dit samenwerkingsverband. Als Eden zwicht voor de druk van Eisenhower en Dulles staan we er alleen voor."
"Dat doet hij niet," sprak Mangin ferm. "Ook voor Engeland staat er teveel op het spel." Zvi Harstein keek op zijn horloge en opende voor het eerst sinds ze het pand hadden betreden zijn mond,. "Heren, ik wil niet vervelend zijn, maar we hebben nog een aantal lastige details over de levering van de straaljagers af te handelen en de dag is kort. Het gaat onder meer om de financiële kant van de zaak die nog niet rond is. Dat is één van de redenen waarom de heer Goldstein vandaag is meegekomen." "Ik dacht, dat hij voor de veiligheid instond," zei de generaal verbaasd. Doordat hij zijn wenkbrauwen optrok dreigde het zwarte ooglapje te verschuiven. Harstein haalde zijn schouders op. "Ach, veiligheid. Niemand weet, dat wij vandaag en hier deze besprekingen voeren. In Parijs hebben de muren oren, maar in België zijn ze zo doof als een kwartel." De woordspeling lokte een besmuikt gelach uit. Bijna tegelijkertijd hieven Mangin en de generaal hun glas. Goldstein dacht eerst, dat ze wilde klinken, maar zag toen, dat de glazen leeg waren en moesten worden bijgevuld. Hij onderdrukte een zucht van ergernis toen hij ze aan het barmeubel inschonk. De besprekingen zouden nog urenlang duren, het bijvullen dus ook.
Jules Granger had onderweg naar de Marollenwijk enkele malen steels om zich heen gekeken, maar zich verder gedragen als een pendelaar die zich van geen kwaad bewust is. Hij wist, dat niets zo verdacht leek als iemand die constant over zijn schouder loert of geregeld voor een etalage blijft staan. Hij stapte niet ver van de Hallepoort van de tram en legde de laatste halve kilometer te voet af. In gedachten verzonken liep hij langs de winkels en danszalen, maar toen hij het café met de naam Chez Yvette et Martin zag keek hij op en bleef even staan. Hij ging naar binnen en liep door de drukke gelagzaal direct naar de bar. De dichte walm sigarettenrook sloeg op zijn keel, zodat hij hoestend de aandacht moest trekken van de vrouw aan de tap. "Ik heb een afspraak met meneer Vermeiren," bracht hij uit. "Hij is boven op zijn kamer. Zal ik vragen of hij naar beneden komt?" Granger sloeg het aanbod met een gemaakt achteloos gebaar af. "Hij heeft mij verzocht hem boven op te zoeken. Bovendien, die rook hier…" Hij hoestte opzettelijk nog eens extra hartverscheurend. "Door die deur rechts, de trap op en dan de eerste deur links." De kapitein zocht zich moeizaam een weg langs kratten vol lege flessen Lambiek. Op de trap hing een doordringende pislucht, alsof sommige dronken cafégangers de weg naar de cour niet hadden kunnen vinden en dan maar alles op de treden hadden laten lopen. Granger probeerde zijn adem in te houden tot hij in de kamer van Vermeiren was. Gelukkig werd er onmiddellijk opengedaan op zijn bescheiden kloppen. "Kom binnen." De breedgeschouderde man met het zwarte achterovergekamde haar zag er niet vrolijk uit. Het was ook niets voor hem twee keer op dezelfde dag telefonisch contact te hebben. De kapitein had onmiddellijk onraad geroken toen Vermeiren hem enkele uren later had gebeld en verzocht het aas te komen halen. Hij sloot de deur achter de kapitein en gebaarde hem plaats te nemen op een sofa die er meer beslapen uitzag dan het bed in de hoek van de kamer. Zelf ging hij op de enige stoel zitten die de kamer rijk was, een simpele houten geval. Het zag er niet naar uit, dat hij Granger iets te drinken zou aanbieden of met hem een praatje over het weer beginnen. Hij stak zwijgend een sigaret op. De vlam van de lucifer lichtte hel op in de schemerige kamer. Zijn houding drukte ongeduld uit. Granger nam wijselijk niet eens de moeite zijn hoed af te zetten. "Van Ransbeek bluft, " klonk het zelfverzekerd, "Of beter gezegd: hij denkt, dat wij bluffen." "Zou het niet verstandiger zijn een andere kandidaat te zoeken?" Vermeirens antwoord was een mengeling van verbazing en verontwaardiging. "Een ander!? Op zo’n korte termijn vinden we geen ander en zeker niet zo’n geschikte. Nee, Granger, we zullen Van Ransbeek onder druk moeten zetten. Dan gaat hij alsnog overstag." "Moet ik dat doen of …?" hij maakte zijn zin met opzet niet af. De ander schudde zijn hoofd en liet een dikke wolk rook ontsnappen. Het leek of er brand was uitgebroken in zijn mond. "Ik zoek hem zo snel mogelijk op. Bij hem thuis. Binnen een week heb jij een tweede antwoord van Van Ransbeek. En dit keer een bevestigend." "Betekent dit, dat ik mijn tienduizend frank dan alsnog krijg?" De kapitein hoorde zelf de gretigheid in zijn stem doorklinken. De man tegenover hem was het blijkbaar ook opgevallen. Hij liet een hinnikend gelach horen: "Als hij door de knieën gaat krijg jij je geld. Je zult het nodig hebben. Ik heb gehoord, dat je alweer nieuwe speelschulden hebt gemaakt."
Granger durfde Vermeiren niet recht in de ogen te kijken. Die kerel bleef akelig goed geïnformeerd over zijn doen en laten. Om zijn schaamte te verbergen begon hij aan de punten van zijn dunne snor te pulken. "In de tussentijd zorg je ervoor, dat die afwijzende brief van Van Ransbeek niet hogerop belandt." De dikke wijsvinger van Vermeirens rechterhand priemde dreigend in zijn richting. De kapitein sloeg op zijn binnenzak. "Die is veilig in mijn bezit." "Geef hem maar aan mij. Je weet nooit…" Terwijl hij de opgevouwen brief uit zijn portefeuille haalde zag Granger dat zijn hand licht trilde. Dit blijk van wantrouwen voorspelde weinig goeds. Vermeiren las het afwijzende antwoord van de majoor vluchtig door en stopte de brief toen in zijn eigen binnenzak. Hij stond op, ten teken dat het onderhoud beëindigd was. Toen hij deur voor Granger openhield zei hij: "Blijf niet in het café hangen… nergens voor nodig." "Ze kennen u hier toch?" "Niet lang meer. Ik zal in het vervolg telkens een andere kamer huren, de ene keer in een café, de andere keer in een hotel. Vergeet dit adres dus en vertoon je hier ook nooit meer." Voor de gezelligheid hoef ik het niet te laten, dacht Granger. De deur viel met een bons achter hem in het slot. Meer tastend dan ziende vond hij zijn weg terug naar beneden. Halverwege de gang kwam hem een caféganger tegemoet. De moddervette man wankelde van de dronkenschap. De kapitein zag geen andere mogelijkheid dan zich plat tegen de muur te drukken om de ander te laten passeren. "’t Gemak is niet boven, maar buiten, hoor menier." Een walgelijk mengsel van zweet, drank en tabak werd recht in zijn gezicht geblazen. Granger probeerde zijn achterhoofd zo dicht mogelijk tegen de muur te duwen in een vergeefse poging de walm niet te hoeven inademen.. "Dat weet ik. Als u me nu wilt laten passeren?" "Ha, zo, van bij die handelsvertegenwoordiger. Da’s gene sympathieke, menier. Altijd gehaast, nooit eens tijd voor een pint en een klapke." "Nee, en helaas heb ik zelf ook geen tijd. Goedenavond, meneer." Hij wurmde zich langs het dikke lijf en liep met grote passen de gelagzaal in. Bijtijds bedacht hij nog, dat hij vriendelijk moest knikken naar de vrouw achter de bar. Het volgende moment stond hij op straat. De Hoogstraat was vol flanerende mensen. Even dacht hij eraan na te gaan of hij geschaduwd werd, maar zijn gemakzucht won het van zijn voorzichtigheid. Als Vermeiren blijkbaar al niet de moeite nam zijn rol van handelsvertegenwoordiger met verve te spelen, wat zou hij zich dan druk maken? Al die paranoia. Tien tegen één dat geen hond zich voor zijn uitstapje interesseerde. Ter hoogte van de Hallepoort dirigeerde zijn goklust hem in een andere richting dan die van de tramhalte. De avond was nog jong en in de nabijgelegen ‘Four Stars’ zou de pokertafel in de achterafkamer net zijn klaargezet.
II
Van Ransbeek was zozeer verdiept in de beursberichten op de radio, dat hij de deurbel pas bij de derde keer hoorde overgaan. Geïrriteerd draaide hij de volumeknop van het toestel lager en liep naar het venster. Hij spiedde door de lamellen van de zonwering naar buiten en probeerde zo te zien wie er voor de deur stond. Hij zag een stevig gebouwde kerel met donker strak achterover gekamd haar. Van bovenaf kon hij duidelijk het begin van een kale kruin onderscheiden. De man had geen aktetas of koffer bij zich, waaruit Van Ransbeek afleidde, dat hij in ieder geval geen handelsvertegenwoordiger of verzekeringsagent kon zijn. Maar wat dan wel? Hij verwachtte geen bezoek op dit uur van de dag en hij had geen enkele zin de één of andere vage kennis van zijn vrouw te ontvangen. Van Ransbeek besloot dan ook simpelweg te wachten tot de ander onverrichterzake zou vertrekken. Tot zijn grote ergernis ging de bel een vierde en vervolgens zelfs een vijfde keer. Wie die kerel ook mocht zijn, hij was blijkbaar niet van plan zich te laten afpoeieren. Met grote stappen beende Van Ransbeek zijn werkkamer uit, liep de trap af en de hal in. "Als er niet geopend wordt, is het toch ondubbelzinnig duidelijk dat men geen bezoek wenst te ontvangen?" Hij had de grote voordeur met een ruk naar achteren getrokken en deed geen moeite de boosheid in zijn stem te onderdrukken. "Maar er wordt nu toch geopend!?," antwoordde de grote kerel gevat. Hij maakte direct gebruik van de enkele seconden durende verbouwereerdheid van de ander en deed twee stappen naar voren, zodat die de deur niet voor zijn neus zou kunnen dichtgooien. "Wel heb ik ooit," begon Van Ransbeek. "Wie denkt u wel dat u bent!" "Guido Vermeiren, aangenaam." Hij pakte de hand van de luitenant-kolonel en schudde die kort en krachtig, alsof hij de trekker van een WC vasthad. "Overste Van Ransbeek, nu even geen flauwekul over beleefdheden. Ik moet u dringend spreken over een zaak die voor ons beiden van het allergrootste belang is." Van Ransbeek onderdrukte de neiging, de brutale kerel hardhandig de deur uit te gooien en deed een stap achteruit. "Ik geef u vijf minuten en daarna hoepelt u alsnog op." "Akkoord," glimlachte de ander, "Het zou mooi zijn als ik aan vijf minuten genoeg had. Maar niet hier op de drempel, in het volle zicht van de straat." Van Ransbeek sloot de voordeur en ging zijn bezoeker voor naar de salon. Argwanend sloeg hij de man die zich Vermeiren noemde gade, terwijl deze plaats nam in een comfortabele leren zetel en het rechterbeen zodanig over het linker sloeg, dat zijn knie op de armleuning rustte. "De beleefdheid gebiedt mij u iets aan te bieden, maar ik ben dat niet van plan," bromde Van Ransbeek In een uitdagend gebaar plaatste hij zijn handen op zijn heupen: "Ik luister." Vermeiren stak niet gelijk van wal, maar haalde eerst een zilverkleurige koker uit zijn binnenzak en stak een sigaret op. Hij trok de rook diep in zijn longen en blies ze vervolgens met een krachtige ademstoot in de ruimte tussen hen beiden. Van Ransbeek begreep instinctief de draagwijdte van dit gebaar: ik ben hier de baas en niet jij. Als hij op zijn parket was gaan urineren was de boodschap niet duidelijker geweest. "U heeft een uitermate aantrekkelijk aanbod om kabinetsmedewerker én kolonel te worden afgewezen, overste." Van Ransbeek voelde zijn armen verslappen. Zijn gezicht nam een verbaasde uitdrukking aan. Hij had niet geweten wát deze man hem zo dringend had willen mededelen, maar dit toch zeker niet. "Hoe weet u dat?" Hij wist dat het een domme reactie was, maar de vraag floepte als vanzelf zijn mond uit. "Hoé ik dat weet doet niet terzake, meneer, wel dát ik het weet. Ik ben echter niet gekomen om u iets te vertellen, dat u al wist. Ik ben hier om u op andere gedachten te brengen." Van Ransbeek dacht koortsachtig na.. "Waarom zou ik me op andere gedachten láten brengen?" Alweer een domme reactie, besefte hij. Vermeiren liet een kort lachje horen dat veel weg had van het hinniken van een paard en ontblootte daarbij een krachtig, maar enigszins geel gebit. "Laat ik antwoorden met een tegenvraag: waarom denkt u, dat uitgerekend een luitenant-kolonel in ruste is benaderd?" "Het zal wel iets met mijn kwaliteiten te maken hebben, zeker?"
Met een bewust nonchalant gebaar tikte Vermeiren de as van zijn sigaret op het parket. "Slechts gedeeltelijk. De keuze is op u gevallen, omdat wij daarvoor hebben gezorgd. En wij hebben daarvoor gezorgd, omdat wij er zeker van kunnen zijn, dat u zult doen wat wij van u verlangen." "Wie is ‘wij’?" "Dat doet er voorlopig niet toe, overste. U heeft het zinnetje gelezen: Wat deed een dode Timothy Burgliss in 1945 in Hamburg en Frankfurt? Wij weten alles van uw succesvolle chantage. Het staat gedetailleerd beschreven in een dossier. Als we dat aan de juiste instanties toesturen is het in één keer gedaan met al deze rijkdom. "Hij knipte even met zijn dikke vingers om zijn woorden te onderstrepen en keek de ander verwachtingsvol aan. Van Ransbeek wist, dat hij nu iets moest antwoorden, maar hij kon niets bedenken. Hij staarde Vermeiren aan, in de ban van een opkomende paniek, maar registreerde nog wel, dat de ander plezier had in de situatie. "Ik geloof, dat ik nu toch de beleefdheden in acht moet nemen en u een borrel moet aanbieden." "Wat u wilt, overste. Ik kan me voorstellen, dat u even tijd nodig heeft dit nieuws te verwerken. Als u voor u zelf een flinke bel whisky inschenkt, doet u mij dan ook maar een dubbele. En haal even een asbak voor ik uw parket verander in een grijs tapijt." Terwijl hij voor zichzelf en Vermeiren twee kristallen glazen inschonk had Van Ransbeek een merkwaardig déjà vu gevoel. Hij zag zichzelf terug in het Frankfurtse café Laumer, maar nu in de rol van Dr. Hofmeister en Vermeiren in die van hemzelf. Het gevoel duurde maar even. Toen hij zich omdraaide en met een glas in elke hand naar Vermeiren liep was hij zich echter volledig bewust van zijn precaire situatie. "Uw geheim is bij ons in veilige handen, overste," zei Vermeiren, nadat hij een haastige slok had genomen. "En dat zal het blijven ook, mits u de komende weken voor ons een aantal zaken wilt checken." "Spionage, dus?" De ander tuitte even quasi-nadenkend zijn lippen. "Spionage is een groot woord voor de simpele taak die wij u opleggen. Ik bezorg u op gezette tijden gegevens. Dat kunnen cijfers zijn, logistieke bewegingen of namen. De ene keer zal u iemand moeten uithoren, een andere keer zult u stiekem in een bureaulade moeten snuffelen. Het gaat steeds om relatief onbelangrijke gegevens, niet om echte staatsgeheimen. Het zal u veel minder moeite kosten dan u nu denkt." Hij liet weer een hinnikend lachje horen en nam nog een slok uit zijn glas: "U heeft in de oorlog veel grotere risico’s moeten nemen om het tot miljonair te schoppen." "Ik geloof niet, dat ik u nog moet vragen voor welk land ik die informatie moet verzamelen," merkte Van Ransbeek zuur op. "Dat hoeft u niet, en dat kúnt u ook maar beter niet. Hoe minder u weet, hoe beter," antwoordde Vermeiren. "Voor het geval u ooit gearresteerd zou worden," voegde hij er op dreigende toon aan toe. "Hoe contacteer ik u om mijn informatie door te geven?" Het leedvermaak verdween even snel uit Vermeirens ogen als het erin gekomen was en maakte plaats voor een uitdrukking van agressie: "Laat ik u vooraf één goede raad geven, overste: ga niet de slimmerik of de held uithangen. Probeer niet mij straks of één van de volgende keren te schaduwen. Wíj nemen contact met ú op. Doe eenvoudigweg wat wij van u vragen en over een paar maanden zal dit nog slechts de herinnering aan een boze droom zijn." Van Ransbeek twijfelde er niet aan, dat Vermeiren meende wat hij zei. De man straalde zelfvertrouwen en kracht uit. Hij uitte zijn dreigementen alsof hij een lastige schooljongen bestrafte. "Het eerste wat u vandaag nog doet, is een nieuwe brief naar het ministerie schrijven, waarin u verklaart de aanstelling met vreugde te accepteren. Als de administratieve rompslomp voorbij is meld ik me weer." Vermeiren stond op, deed twee stappen en stond recht tegenover Van Ransbeek. Hoewel de overste bepaald geen kleintje was stak hij nog een kop boven hem uit. Hij kreeg een schouderklopje. "U houdt er uiteindelijk nog een mooie promotie aan over ook. Gefeliciteerd kolonel." De ongewenste bezoeker overhandigde hem zijn glas en liet vervolgens zichzelf uit. Toen de voordeur met een klap in het slot viel stond Van Ransbeek met een vol en een leeg glas nog altijd midden in de kamer. Van boven klonk nauwelijks hoorbaar de stem van de radio-omroeper die het volgende programma aankondigde. |