Banner
Home Boeken Vals gedacht
Vals gedacht Afdrukken E-mail dit artikel

DodemanschantageMarcel Rietbergen is een rijzende ster aan het christendemocratische firmament maar kiest er toch voor een concurrent van zijn eigen partij te worden. Met zijn aansprekende slogans over de gedeelde morele waarden van islamitische allochtonen en christelijke autochtonen slaagt hij erin veel ontevreden kiezers aan zich te binden. Richard Tangelder, fractiemedewerker en feitelijke rechterhand van Rietbergen, ziet zich al verzekerd van een plaats op het pluche, maar naarmate de populariteit van de Partij van het Boek stijgt, schuift hij op de kandidatenlijst steeds een plaats lager.

paperback 272 pagina's • oktober 2007 Manteau • Nederlands • ISBN 9789022319581

De politicus Marcel Rietbergen trekt veel ontevreden kiezers naar zich met zijn slogans over de gedeelde morele waarden van islamitische allochtonen en christelijke autochtonen. Zijn eenmansfractie dreigt bij de volgende verkiezingen de politieke verhoudingen ernstig te verstoren. Naarmate de populariteit van de Partij van het Boek stijgt, schuift Richard Tangelder, fractiemedewerker en rechterhand van Rietbergen, echter steeds een plaats lager op de kandidatenlijst. De gefrustreerde Tangelder ontdekt dat er machtsspelletjes worden gespeeld waarbij niet alleen de grenzen van het politieke fatsoen, maar ook die van de wet worden overschreden.

Wanneer Erik Goudriaan, een aan lager wal geraakt kunsthistoricus, moet uitzoeken of een aantal werken van Pablo Picasso vervalsingen zijn, grijpt hij deze kans aan om zijn beroeps- én zijn privéleven weer op het juiste spoor te krijgen. Al gauw raakt hij echter verward in een kluwen van moord en chantage.
Valse voorstellingen in de politiek en in de schilderkunst blijken met elkaar verweven te zijn via een geraffineerde oplichting die teruggaat tot de Tweede Wereldoorlog. En de slachtoffers zijn niet alleen bedrogen kiezers en gedupeerde verzamelaars, maar ook de lang gekoesterde illusies van oprechtheid en authenticiteit.

Voorpublicatie

In enkele dagen leek Richard Tangelders leven compleet veranderd. In de gangen van het Binnenhof was hij van een gewaardeerde collega getransformeerd tot persona non grata, en niet alleen wat de persoonlijke medewerkers en leden van de christendemocratische fractie betrof. Als hij zijn kamer verliet en de gang inliep hoorde hij deuren haastig worden gesloten. Waar ze geopend bleven keken hoofden nadrukkelijk weg of staarden ze hem nietszeggend aan.
Tegenover die vijandigheid stond een even plotse interesse. Zijn ouders hadden hem elke avond gebeld en waren erg benieuwd naar – bezorgd over was eerder het woord – de gevolgen voor zijn verdere carrière. Vage vrienden mailden en Sms’ten ineens veelvuldig. Een vroegere vriendin had hem spontaan op straat benaderd. Aanvankelijk sloeg zijn hart van vreugde enkele slagen over, maar al snel vernam hij waar ze inmiddels werkte: ze probeerde slechts een interview met Rietbergen te regelen voor haar chef, een reporter bij een schandaalblad. Meer teleurgesteld dan hij wilde laten blijken had hij haar beleefd maar beslist afgepoeierd.
Tangelder voelde zich verward. Iedereen deed anders tegen hem. De vage gesprekjes met zijn huisgenoten tijdens het snelle ontbijt werden een vriendelijke variant van het derdegraads verhoor. Hun tegenstrijdige vragen en opmerkingen weerspiegelden hun verwarring over het fenomeen Rietbergen. Aangezien ze niet wisten wat ze van de politicus moesten denken wisten ze ook niet meer wat ze van hun huisgenoot vonden. Zelfs de vroeger zo zwijgzame Syrische snackbarhouder op de hoek van de Waldeck Pyrmontkade, waar hij geregeld een pita ging halen, probeerde hem uit te horen. Tangelder vervloekte soms zijn beslissing om samen met Rietbergen bij Netwerk te zijn verschenen, waardoor zijn relatieve anonimiteit leek te zijn opgeheven. Hij besefte vooral dat niets of niemand hem op deze metamorfose had voorbereid. De tips die de gebroeders Fransen hem hadden gegeven konden vanzelfsprekend niet tippen aan de echte mediatraining die ze hem in het vooruitzicht hadden gesteld.
Maar zijn ‘media-exposure’ was natuurlijk niets vergeleken bij die van Marcel Rietbergen, die sinds zijn breuk met het CDA niet meer uit de actualiteit leek te zijn weg te branden. In tegenstelling tot Tangelder leek Rietbergen volkomen op zijn gemak. Hij beantwoordde elke vraag gevat met een oneliner. Zijn dunne lippen plooiden zich in een glimlach wanneer dat verwacht werd en in een ernstige streep als het moest. In tegenstelling tot veel andere politici draaide hij nooit om de hete brij heen en hoefde hij nooit zijn toevlucht te nemen tot nietszeggendheden als ‘Nu is het niet zo dat’ of ‘Laat ik het zo stellen’ om tijd te winnen. Een stoplap als ‘zeg maar’ , die bij veel volksvertegenwoordigers even vaak uit hun mond kwam als boeren uit de kont van een gastritispatiënt, wist hij keurig te vermijden. Ook al zaten ze elke dag enkele uren met de gebroeders Fransen ‘interviewscenario’s door te nemen, toch stond Tangelder in paffe bewondering voor de talloze improvisaties die Rietbergen te berde wist te brengen.

Op het moment dat de journalisten op het nieuwtje Rietbergen uitgekeken dreigden te raken – een kleine twee weken na de afscheuring van het CDA – veranderde de politicus van toon. Het ging niet om een wending in zijn discours, maar om het doelbewust doen van uitspraken die het vuur van de aandacht opnieuw zouden aanwakkeren. Rietbergen kondigde de wending niet aan in een vergadering met de gebroeders Fransen, maar in een onderonsje met Tangelder. Hij zat achterin zijn eigen Lexus op weg naar een spreekbeurt in Dordrecht kamerstukken door te nemen terwijl de medewerker reed. Voordien had hij gewoon voorin gezeten. Tangelder bedacht net licht geërgerd, dat zijn werkgever wel erg vroeg ministeriële neigingen begon te ontwikkelen toen hij achter zich hoorde opmerken:
“Vanmiddag gaan we ze iets controversieels voeren.”
Tangelder wierp een verraste blik in zijn achteruitkijkspiegel. Rietbergen zat geconcentreerd aantekeningen te maken in zijn stukken. Op zijn gezicht lag geen bijzondere uitdrukking.
“Weer over onze steun aan het streven naar een islamitische zuil?”
“Ik heb besloten ditmaal een stapje verder te gaan.”
Meer weigerde het kamerlid erover los te laten. Tangelder wist dat het geen zin had aan te dringen. Hij zou het vanzelf wel te horen krijgen.
Op de snelweg Rotterdam – Dordrecht lette hij er nauwgezet op zich aan de maximumsnelheid te houden. Gisteren nog had hij aan beide kanten van een viaduct een mobiel flitsteam zien staan, als krokodillen wachtend op een prooi. Bij de Drechtsteden aangekomen nam hij de randweg N-3 en liet zich verder leiden door het GPS-systeem. Een ingeblikte vrouwenstem dirigeerde hem tot vlak bij het station. Tangelder vloekte toen wegwerkzaamheden hem dwongen om te rijden. Een vlugge blik op de klok in het dashboard leerde hem dat ze hooguit vijf minuten hadden om bij het paviljoen in het park te komen.
“Maak je niet druk,” hoorde hij Rietbergen achter zich zeggen. “Een goed politicus komt altijd te laat.”
“Was het Hitler niet die daarmee begonnen is?”
“Nou en? Het feit dat Hitler een misdadiger was maakt nog geen slecht politicus van hem.”
Als hij dat maar niet gaat zeggen straks, dacht Tangelder somber.
Het parkeerterrein bij het paviljoen was afgeladen. De auto’s stonden zelfs tot op het grasveld geparkeerd. Tangelder besloot de Lexus tussen twee Volvo stationcars te zetten. Een parkeerboete is altijd minder dan een snelheidovertreding, rechtvaardigde hij zichzelf. Ze stapten uit. Rietbergen trok buiten zijn colbertjasje aan, lichtgroen van kleur, net als zijn pantalon. Hij trok zijn rode das recht . Ondanks het frisse weer deed hij geen jas aan.
“Kijk, het welkomstcomité staat al bovenaan de trap.”
Tangelder zwaaide naar Jan Burgers, de voorzitter van de ondernemersvereniging die hij vorig jaar tijdens een receptie bij de Willem I prijs uitreiking in de Haagse Ridderzaal had leren kennen en die hem vorige week had gecontacteerd. De aangekondigde spreker – een VVD-coryfee – was verhinderd wegens ziekte; of Rietbergen zijn plaats kon innemen. Tangelder had het meteen in orde gebracht.
Burgers onderkinnen bibberden van genoegen toen hij Rietbergen de hand schudde.
“Welkom, welkom. Ik moet u zeggen, ondanks de late aankondiging is de opkomst een stuk groter dan we met uw liberale collega hadden verwacht.”
Ze begaven zich naar binnen. Nog meer handen die geschud moesten worden. Tangelder mompelde mechanisch zijn naam, maar hij besefte al gauw dat hij zich ook met “sodemieter op” had kunnen voorstellen. Alle aandacht ging naar de politicus uit. Rietbergen nam voor iedereen de tijd. Van sommigen pakte hij met de linkerhand even de onderarm vast, een trucje dat hij van de Amerikaanse kandidaat voor het vice-presidentschap Joe Lieberman had afgekeken. Maar het werkte. Het kamerlid kwam ontspannen en sympathiek over. Het viel Tangelder op, dat twee vrouwelijke bestuursleden hem nakeken met een zekere gretigheid in de blik. Vóór de afscheiding had hij nooit gemerkt dat Rietbergen dit effect op vrouwen had gehad. Hij was blij met dit nieuwe fenomeen, maar voelde ook een lichte steek van jaloezie.
Burgers nam hem even terzijde, terwijl Rietbergen een glas mineraalwater werd aangeboden. “Ik stel voor dat we maar direct beginnen. We lopen al achter op het schema en Rietbergen heeft gezegd dat hij over een uur weer terug moet naar Den Haag.”
Tangelder slikte zijn verbazing in en knikte. Als Burgers hem had gevraagd welke bespreking er later op de middag op de agenda had gestaan zou hij met zijn mond vol tanden staan. Fijn, dat gebrek aan overleg over de leugenstrategie. Zou dat nog zo’n Hitlertrucje zijn?
Burgers leidde de spreker in. Vanaf zijn zitplaats naast het spreekgestoelte kon Tangelder de zweetdruppels op zijn voorhoofd zien parelen. De zaal was dan ook afgeladen. Hij telde automatisch de rijen en het gemiddeld aantal stoelen per tafel en kwam op zeker tweehonderdvijftig aanwezigen. Hij had vorige week een ledenlijst van de vereneniging doorgemaild gekregen en gezien dat er vooral industriëlen en zakelijke dienstverleners bij waren aangesloten. Dat was een prima afwisseling met de talloze gezelschappen van boeren, burgers en buitenlui die Rietbergen de komende maanden nog zou toespreken.
Er volgde een beleefd applausje op de woorden van de inleider, die haastig wegschoof om plaats te maken voor Marcel Rietbergen. Die bedankte hem voor zijn vriendelijke woorden, zei hoe verheugd hij was voor dit ‘illustere gezelschap van Dordse ondernemers’ te mogen spreken en friste vervolgens ieders geheugen op over de gebeurtenissen van de voorbije weken. Hij sprak voor de vuist weg en stelde het zo voor of zijn breuk met het CDA het belangrijkste wereldnieuws was geweest. Aan het instemmend knikken merkte Tangelder dat de zaal het pikte.
“De pers probeert de breuk te herleiden tot één punt, namelijk mijn steun voor het streven van een deel van de moslimgemeenschap haar eigen emancipatie te mogen organiseren. Naar aanleiding daarvan dacht ik: als je geen one isssue partij bent maakt de pers het wel van je. Misschien omdat journalisten zelf maar één ding tegelijkertijd kunnen bevatten.” Hij glimlachte en liet de zaal even mee lachen. “Want hoewel dit een belangrijk punt is, is het niet het enige. Of beter gezegd: het is ingebed in een bredere visie op de evolutie van onze samenleving.”
Rietbergen zweeg, nam een slok water en keek peinzend over de hoofden van de aanwezigen heen. Toen dit langer dan enkele seconden duurde hoorde Tangelder hoe hier en daar stoelpoten heen en weer werden geschoven. Het gekuch en gemompel bleef echter uit.
“Dames en heren,” ging Rietbergen op een iets andere, zachtere toon verder, “Ik heb de voorbije weken opzettelijk in bedekte termen gesproken. In dit polderland krijg je namelijk al snel het weldenkende deel der natie – zoals dat zo mooi heet – over je heen als je buiten de krijtstrepen van het officiële debat treedt. Maar er zijn meningen die ik minder omfloerst moet uiten wil ik ze duidelijk voor het voetlicht brengen. Met andere woorden, ik moet man en paard noemen in plaats van met een breed armgebaar de hele manege te omvatten.”
Een enkeling glimlachte bij het horen van de beeldspraak, maar de rest van de zaal luisterde ademloos, zag Tangelder. Hij was op het puntje van zijn stoel gaan zitten om tot achterin te kunnen kijken. Het werkte. Men was er vast van overtuigd als eerste iets bijzonders te horen te krijgen.
“De afgelopen jaren, sinds wijlen Pim Fortuyn het debat uit zijn comateuze toestand deed ontwaken, is er veel gezegd over allochtonen. Ze moesten – en moeten nog altijd – integreren, conformeren en respecteren. Moslims hebben te horen gekregen dat hun cultuur achterlijk is, hun profeet een kinderverkrachter en dat zijzelf de verliezers van deze samenleving zijn. Ze zijn gedoemd tot de onderklasse te behoren, tenzij ze zich aanpassen aan onze normen en waarden. En niet een beetje aanpassen, dames en heren, niet halfslachtig, enkel uiterlijk of enkel onder werktijd, nee, honderd procent aanpassen. Wij willen geen moslims meer zien, zoals we vanaf de laten jaren zestig ook geen protestanten of katholieken meer wilden zien. Wij willen enkel nog Nederlanders van een zekere afkomst. Let u op dat woord: af – komst. Mensen die iets waren en het niet meer zijn.”
Weer pauzeerde hij even en keek de zaal rond. Zijn blik bleef bij één van de twee vrouwelijke ondernemers hangen. Tangelder zag haar vuurrood worden, maar Rietbergen leek het niet te merken. Hij spreidde zijn handen in een domineeachtig gebaar.
”Vind ik dan dat we alles bij het oude hadden moeten laten? Bij de multiculturele knuffelmaatschappij van de jaren negentig, zoals ze wel spottend genoemd werd? Moeten moslima’s ongeletterd blijven en thuis opgesloten? Moeten we het door de vingers zien dat bepaalde imams westerse vrouwen geen hand geven? Hadden we de onderstroom van antisemitisme in sommige mohammedaanse kringen simpelweg moeten negeren?” Hij steunde zijn beide handen op de randen van de lessenaar. “Nee, natuurlijk, dames en heren. Onze rechtstaat, onze fundamentele vrijheden moeten gerespecteerd worden, óók door Nederlandse moslims. Maar hebben wij, die zoveel onvoorwaardelijk respect eisen van hen, op onze beurt wel zoveel respect getoond tegenover de moslims?”
De rechterhand ging weer omhoog. “Is het niet vreemd, dat wij enerzijds tegen een mohammedaanse vader zeggen dat zijn dochter heus geen slet of hoer is als ze ongesluierd over straat loopt en dat we hem anderzijds overstelpen met reality-programma’s waarin vrouwen worden gestimuleerd om zich vooral als zodanig te gedragen? Is het niet merkwaardig dat we aan de ene kant vrouwenemancipatie stimuleren en aan de andere kant elke bekende Nederlandse, elke omroepster en elke zangeres pas voor vol lijken aan te zien als ze een keer naakt in de Playboy heeft geposeerd?”
De rechterhand krabde even bedachtzaam onder de kin. “Ik ken de tegenwerpingen, dames en heren. Zo is dat nu eenmaal gegroeid bij ons. Het een kan best samengaan met het ander. Vrijheid, blijheid. Dat moeten die moslims maar accepteren. Maar dat is het hem net! Waarom moéten zij dat maar accepteren? Kunt u zich voorstellen dat een Marokkaan of Turk die in een cultuur met strenge zeden is opgegroeid en die een aflevering van ‘Temptation Island’ ziet zich verbaasd afvraagt: ‘Zijn dat nou die befaamde westerse waarden!?”.”
Opnieuw pauzeerde Rietbergen even. Tangelder keek ongegeneerd rond. Hij verwachtte hier en daar het schudden van een hoofd te zien, maar niemand gaf blijk van afkeur.
“Ik geloof dat u zich dat wel kunt voorstellen,” ging Rietbergen verder. “Tegen die Marokkaan of Turk zou ik zeggen: ‘Nee, die platte commerciële troep is geen afspiegeling van onze waarden. Sterker nog: ze ondermijnen die.’ Ik heb zelf dochters en ik kan u verzekeren: bij mij thuis komen die programma’s niet op de buis. Ik wil mijn kinderen leren dat alle aspecten van het leven hun plaats hebben – werken, studeren en dienstbaarheid evenzeer als liefde, seks en ontspanning - niet omdat ik hoop dat ze opgroeien tot preutse kwezels, maar omdat ik ze weerbaar wil maken. Het leven is geen eindeloze orgie. De lichten gaan aan voor je erg in hebt en dan blijkt dat iemand ondertussen al je kleren heeft gestolen, mét je autosleutels en je portemonnee.”
Hij nam een slokje water uit het nu bijna lege glas. “De moslims kunnen veel van ons leren: democratie, respect voor de rule of law, gelijkheid van man en vrouw. Maar omgekeerd kunnen wij autochtonen ook veel van hen leren. Een klein voorbeeld. U bent allen ondernemers. Ik vraag u, welke winkelier is beter in zijn vak: de Pakistaan die bijna dag en nacht open is en iedere klant even vriendelijk bedient of het kauwgom kauwende meisje dat achter de kassa haar nagels zit te vijlen en steevast antwoordt: ‘as ut dur niet hangt dan het ik ut niet’?”
Het gelach leek van achter uit de zaal te komen aanrollen. Rietbergen liet het wegsterven en vervolgde toen: “Moslims, joden en christenen zijn alledrie ‘volkeren van het boek’. Wij delen de fundamentele bijbelse waarden met elkaar. Dat lijkt me een hechtere basis van waaruit de emancipatie van het mohammedaanse volksdeel kan voortgaan dan dat opgelegde en afgedwongen respect. Alleen zo kunnen we het beste bovenhalen uit deze grote groep van mede-landers en gezamenlijk profiteren van hun energie en inzet, zo bikkelhard nodig in deze tijd van vergrijzing en achteruitgang tegenover het Verre Oosten en Amerika. Die overtuiging, dames en heren, is de diepere oorzaak voor mijn scheiding met het CDA. “
Tangelder zag instemmend geknik. De zaal wachtte op het vervolg. Rietbergen onthield het haar niet:
“En ik hoop werkelijk, dat wij vanuit die gedeelde waarden ook een dam kunnen opwerpen tegen de troep die de weerbaarheid van de volgende generatie ondermijnt. Ja, ik weet het. Je wordt geacht je zo ruimdenkend mogelijk op te stellen, maar ik vraag u: bevinden we ons op ethisch vlak niet nog steeds in het pre-Fortuyn tijdperk? Wordt het stilaan geen tijd dat we ook die discussie eens uit zijn coma doen ontwaken?”
Applaus vanuit de zaal. Tangelder klapte mee. Goed gevonden, die cirkelbeweging in de rede, dacht hij beginnen en eindigen met het beeld van een coma. Spijtig dat er geen pers was uitgenodigd. Of toch? De man vooraan die de hele tijd ijverig had zitten noteren viel hem nu pas op. Aan de zijkant van de zaal stond een fotograaf die plaatjes nam van het applaus. Nou ja, één regionale krant misschien. Een gemiste kans.
De rest van Rietbergens spreekbeurt ging over economische thema’s. Daarna was er gelegenheid tot het stellen van vragen. Burgers liet enkele ondernemers aan het woord. Het viel Tangelder op, dat alle vragen ofwel over het eerste deel van zijn redevoering gingen ofwel over de machtsvraag.
“Ik ben nu nog een roepende in de woestijn, maar ik ben niet bang voor een tijdje hitte en dorst,” antwoordde het kamerlid. “Ik geloof in de kracht van mijn ideeën. U als ondernemers kunt dat beter dan wie ook aanvoelen. De meesten van u zullen als eenmanszaak begonnen zijn. Wel, dat heb ik nu ook – een eenmanszaak. Maar ik garandeer u: de beursgenoteerde onderneming is al zichtbaar.”
Het uurtje was ten einde. Burgers bedankte de spreker uitvoerig en overhandigde hem een geschenk dat verdacht veel weg had van een in papier verpakte fles. Tangelder zag Rietbergen zijn ongeduld onderdrukken toen de voorzitter te lang doorging, maar het extra applaus maakte veel goed. Ze verlieten de zaal en daarna het paviljoen. Buiten was het inmiddels zachtjes beginnen regenen, zodat ze naar de auto moesten hollen om niet nat te worden.
Pas toen hij de airconditioning en de ruitenwissers had aangezet en weer enig zicht had door de voorruit reed Tangelder weg.
“Dat ging verrassend goed,” zei hij. “Jammer dat er zo weinig pers was. Die opmerking over het ethisch debat zou anders gegarandeerd de voorpagina’s halen.”
“Dat doet-ie ook wel, maar morgen of overmorgen pas.”
“Je hebt me opzettelijk geen landelijke pers laten uitnodigen,” begreep Tangelder. “Je wilde ze een lesje leren. Nu moeten ze het vernemen uit een plaatselijke sufferdje.”
‘Heel juist. Zo dwingen we de grote jongens ons overal te volgen. Ze zouden eens iets kunnen missen als ik in Zwammerdam of Driezolderadeel een lezing houd.”
Tangelder remde voor een rood stoplicht. “En nu naar onze dringende afspraak in Den Haag?”
Rietbergen lachte en pakte hem bij zijn schouder. “Sorry daarvoor. Maar om het goed te maken nodig ik je uit voor een lekker etentje in Rotterdam.”
Een Turk op een ouwe damesfiets reed dwars door het rode licht. Toen Tangelder claxonneerde stak hij zijn middelvinger op en fietste ongestoord verder. De medewerker zuchtte:
“Dat van die gedeelde fundamentele waarden moet je toch niet te vaak herhalen, denk ik.”
 
© 2006-2012   Max Moragie. All rights reserved.