|
Na twee romans met een historische setting presenteer je nu ineens een verhaal dat in de tegenwoordige tijd speelt. Is de geschiedenis niet meer lonend voor de auteur die nog maar enkele jaren terug in het NRC Handelsblad werd gekwalificeerd als ‘de enige die historische misdaadromans schrijft.’?
Moragie: “De geschiedenis van de twintigste eeuw blijft een grote inspiratiebron. Trouwens, ook in ‘Vals Gedacht’ is er een link naar de Tweede Wereldoorlog, net als in de vorige romans. Maar ik ben vanzelfsprekend niet verplicht mijn mosterd uitsluitend in het verleden te halen. De afgelopen tien jaar heb ik nogal wat politici geïnterviewd, zowel in Brussel en Den Haag als in – wat zo denigrerend heet - de provincie. Dat heeft van mij nog geen volbloed parlementair verslaggever gemaakt maar wel een journalist die het klappen van de Haagse zweep heeft leren onderscheiden van dat van andere marteltuigen. Als historicus ben ik hoe dan ook erg geïnteresseerd in politiek.
Het was enkel een kwestie van tijd eer ‘de politiek’ een centrale rol in een van mijn romans zou gaan spelen, in plaats van een zijdelingse. En aangezien ik het huidige Binnenhof en het huidige Europarlement ken was het ook logischer dat verhaal in de tegenwoordige tijd te situeren.”
Omdat je het reilen en zeilen met eigen ogen hebt kunnen aanschouwen. Maakt dit van ‘Vals Gedacht’ dan ook automatisch een autobiografischer roman?
Moragie: “Nee. Ik gebruik mijn observaties en bedenkingen van de voorbije jaren, niet mijn persoon. Het gaat om de mensen, en vooral de types mensen, die ik heb ontmoet, niet om concrete personages en zeker niet om mijzelf.”
"Het is beangstigend hoezeer de democratie te koop is"
Maar toch: een van je hoofdpersonen, Erik Goudriaan, is een Nederlander die in Antwerpen woont. Hij is historicus, leeft van de pen en is ongeveer van jouw leeftijd…
Moragie: “Pas op: hij is kúnsthistoricus, al een heel verschil. Bovendien is hij klein, opvliegend, brutaal en heeft hij al zijn haar nog – allemaal eigenschappen die ik niet heb. De kunst is nu juist een personage neer te zetten dat geen afspiegeling van jezelf is. Dat geldt evengoed voor Richard Tangelder als voor Erik Goudriaan. Tijdens het schrijven bestaat toch altijd al de neiging stukjes van jezelf in het karakter te projecteren, maar daaraan toegeven is een vorm van luiheid. Het is boeiender diverse karaktereigenschappen en ervaringen van andere mensen in een personage te verwerken. De Nederlandse auteur Alfred Kosmann had het in dit verband over plukjes van kenmerken toevoegen. Op die manier voorkom je ook dat vrienden en kennissen (of vijanden) zich in een personage herkennen.”
En doen ze dat dan echt niet?
Moragie: “Tot nog toe valt het goed mee. Maar uiteindelijk zien mensen natuurlijk ook wat ze willen zien. De Amerikaan John Philips Marquand schreef dat zijn tweede echtgenote zichzelf herkende in alle vrouwen die hij in zijn romans gestalte gaf, ook in diegene die hij had bedacht toen hij haar nog nooit ontmoet had…”
Over Marquand gesproken. Je hebt de afgelopen twee jaar erg veel van hem en van andere oudere Angelsaksen gelezen: Joyce Cary, John’o Hara, Sinclair Lewis. Ik zie ze de boekenplanken vullen. Hebben ze je stijl beïnvloed? Die lijkt minder ‘sec’ geworden. Ik zie bijvoorbeeld meer beeldspraak…
Moragie: “Dat hebben ze inderdaad, al geldt dat dan meer voor Marquand dan voor ‘o Hara, die wel heel erg direct schreef en bijvoorbeeld vaak het uiterlijk van een personage niet eens weergaf. Toch moet je die invloed zeker niet overschatten, want de subtiele verandering in stijl heeft vooral ook met de vertelwijze te maken. Het grootste verschil tussen ‘Bezettingsgeld’ en ‘Vals Gedacht’ is dat ik in mijn debuut alles zo ‘filmisch’ mogelijk wilde vertellen. Iemands karakter moest uit zijn handelingen blijken, niet uit een beschrijving. Dat principe begon ik in ‘Dodemanschantage’ al minder rigoureus toe te passen. In ‘Vals Gedacht’ moest het nog meer op de helling omdat het verhaal een langere periode bestrijkt en er veel bijkomende informatie gegeven moest worden. Dat kon enkel via de weergave van gedachten van de hoofdpersonages. En tenslotte zal ik ook wel wat meer stilistisch zelfvertrouwen hebben gekregen na een paar boeken.”
Populisme is het hoofdthema van ‘Vals Gedacht’. In wezen beschrijf je de opkomst (en ondergang) van een populistisch politicus. Maar, populisme vind je bij extreem rechts en jouw Marcel Rietbergen lijkt zich eerder in het politieke centrum te positioneren. Hoe ‘onrealistisch’ maakt dit jouw personage?
Moragie: “Ik denk dat je populisme in hoofdzaak bij extreem rechts vindt, maar niet uitsluitend. Wanneer een socialist als de Nederlander Jan Marijnisse of de Fransman Laurent Fabius zich tegen het Europese Grondwettelijk verdrag keert is dat ook populisme. Marijnisse en Fabius bespeelden net als de cultuurconservatief Geert Wilders en de christenfundamentalist André Rouvoet het volkssentiment: de angst voor de concurrentie vanuit Oost-Europa en Turkije, de angst voor het verliezen van een toch al vage nationale identiteit. Al deze politici wisten heel goed dat het verdrag de wildgroei in Europese regelgeving enkel zou kanaliseren en zelfs aan banden leggen, en dus geen opstap naar een Europese Superstaat kon vormen, maar het anti-establishment gevoel dat ze met hun oproep tot een ‘nee’ aanspraken zou bij de komende verkiezingen veel te veel in hun voordeel werken. Een populist heeft nooit een oplossing, enkel een probleem. Hij gruwt van constructieve wetgeving, meeregeren in een coalitie en compromissen maken, want dan haakt zijn achterban af, weet hij. Die achterban wordt gedreven door angst, frustratie, ressentiment en andere negatieve gevoelens. Deze kiezers zoeken iemand die hen vertelt dat hun ‘mislukking’ de schuld is van anderen en dat een stem op hem alsnog de deur naar een geslaagder toekomst opent – zonder dat ze daar zelf al te veel moeite voor hoeven doen. De politicus die hen de grootste psychologische beloning geeft krijgt hun stem. Of dat een radicale socialist of een rabiate vreemdelingenhater is doet daarbij weinig ter zake. Marcel Rietbergen vormt in zoverre een uitzondering op die regel, dat hij met zijn pro-moslim standpunt eerder bij links dan bij rechts aanschurkt, en met zijn ethische conservatisme dan weer eerder andersom. Dan kom je automatisch in het midden uit. Niet alleen is zijn Partij van het Boek dus wel degelijk denkbaar, ik vraag me zelfs af wanneer iemand met zijn gedachtegoed zich in werkelijkheid gaat roeren.”
De bekendste Nederlandse populistische politici zijn echter van onversneden rechtse snit: Pim Fortuyn en Geert Wilders. Ik neem aan dat je ze wel eens zult hebben geïnterviewd…
Moragie: “Fortuyn één keer, na het verschijnen van zijn autobiografie ‘Babyboomers’. Zijn politieke ambities waren toen nog niet zo uitgesproken maar wel al aanwezig. Wat me vooral is bijgebleven is zijn ontspannen houding. Toen ik hem aan het eind van het gesprek vroeg of hij de tekst nog wilde nalezen antwoordde hij ontkennend. ‘Als je de vloeken en de schuttingwoorden er maar uit laat,’ voegde hij er aan toe. Ik denk dat zijn gebrek aan pose de Nederlanders verraste en aansprak. Hier was iemand die onverbloemd sprak over zijn homoseksuele avonturen, over zijn geld, over zijn academische carrière, maar ook over zijn vele mislukkingen. Hij had zogezegd voor alle problemen een oplossing maar de politieke partijen hadden hem een voor een eruit geknikkerd. Van de communisten tot de christendemocraten, geen van hen zag Fortuyn zitten. Fortuyn verpersoonlijkte voor veel kiezers de burger met het gezond verstand, de outsider die even met de bezem door het Haags establishment zou gaan. Dat even onverbloemde narcisme was ook fascinerend: hier was iemand die aangaf dat hij de volgende minister president zou worden. Let wel: hij zei dat hij premier zóu worden, niet dat hij het graag wilde worden. Laat staan dat hij er niet aan dacht het te worden, wat veel politici eerst maandenlang beweren. Het was evenzeer de verschijning als de ideeën die zoveel kiezers inpakte.”
Deugden die ideeën überhaupt? De beschuldigingen van vreemdelingenhaat waren destijds niet van de lucht? Net als bij Wilders tijdens diens opkomst…
Moragie: “Sommige ideeën van Fortuyn waren waarschijnlijk zo gek nog niet. Bijvoorbeeld die voor het terugdringen van de bureaucratie in de zorg. Daarom trok hij ook een man als professor Eduard Bomhof aan, voordien nog sociaaldemocraat. Maar Bomhof was ook degene die als minister helemaal vastliep in de partij die Fortuyn haastig om zich heen had geschaard en die na zijn dood zijn ‘erfenis’ ging behartigen. Het probleem met populistische partijen is dat ze altijd slechts het vehikel zijn waarvan de voorman zich bedient. De normale filters die een gevestigde politieke partij installeert om bestuurlijk talent naar boven te laten stromen zijn er niet. Daardoor kunnen andere narcisten zich snel een weg naar boven banen in zo’n populistische partij. Geld alleen volstaat vaak al om dat enige te verweven wat hun enorme ego nog ontbeert: politieke macht. Zo konden de vastgoedboeren en de platenboeren zich een ministerspost ‘aanschaffen’ in het eerste en enige kabinet waaraan de Lijst Pim Fortuyn heeft deelgenomen. Marcel Rietbergen trekt deze types ook aan: pannenboer Arie van der Lek en congressenboer Mazarbad. Het verschijnsel is al zo oud als de straat. Joseph Kennedy werd rijk door oneerlijk zakendoen en wilde daarna wel president van de Verenigde Staten worden. Zijn anti-semitisme en isolationisme waren echter te grote belemmeringen voor hem om in 1940 de nominatie van de Democratische Partij te verweven. Gelukkig maar, want hoe was de oorlog verlopen met zo’n Hitler-vriend in het Witte Huis? Maar in 1960 slaagde hij er wel in zijn zoon Jack in het Witte Huis te krijgen – dankzij zijn miljoenendonaties aan de partij en dankzij het regelrechte omkopen van kiezers en andere kandidaten. Eén generatie eerder was William Randolph Hearst, de krantenmagnaat die model stond voor de film ‘Citizen Kane’, van hetzelfde laken een pak. En in onze tijd is Silvio Berlusconi een moderne versie van Citizen Kane. Het is beangstigend hoezeer de democratie te koop is.”
En moet dat altijd uitmonden in een vorm van dictatuur of fascisme?
Moragie: “Dat is misschien weer te een groot woord, maar het kan hoe dan ook nooit uitmonden in een open en eerlijke vorm van machtsuitoefening, omdat populisten altijd veel te verbergen hebben. Je mag hun partijprogramma niet te lang bestuderen want dan valt op dat het vol tegenstrijdigheden zit. Dus moet de populist in beweging blijven en oneliners blijven afvuren om de aandacht van die contradicties af te leiden. Een deel van de aantrekkingskracht van de populist is het feit dat hij halve waarheden debiteert: er is teveel bureaucratie, zoals Fortuyn opmerkte, er is disproportioneel veel misdaad onder sommige groepen allochtonen, zoals Wilders zegt, er is een overdreven aanpassingsdruk voor moslims, zoals Rietbergen beweert. Maar als je dan de oplossing bekijkt die ze ervoor aandragen blijkt die simpelweg niet haalbaar te zijn. In 2001 wilde Fortuyn de grenzen dicht. Ik zat eens in Hazeldonk bij een officier van de douane voor een artikel. ‘De grenzen dicht? Kijk maar uit het raam wat er dan elke dag gebeurt.’ Er waren in die dagen net strenge veiligheidsmaatregelen genomen om de uitbraak van Mond- en Klauwzeer in te dammen. Elke auto werd kort gecontroleerd, zoals dat vroeger ging. De files stonden tot vijftien kilometer ver. Wat Fortuyn beweerde klonk plausibel, maar in feite zou het de doodsteek voor de economie hebben betekend.”
We hebben het wel steeds over Fortuyn maar niet over Wilders…
Moragie: “Geert Wilders heb ik een aantal malen geïnterviewd; de eerste keer toen hij nog ‘eenvoudig’ kamerlid voor de VVD was, de laatste keer vlak voor de voor hem zo succesvol verlopen verkiezingen van 2006. Ik heb hem gesproken in zijn riante werkkamer als liberaal parlementslid en in de bezemkast die hem nadien werd toegewezen. Ik heb hem horen spreken voor ondernemers en thuis in Venlo bezocht. Ik heb zijn toenemend geruzie met de liberalen, zijn afscheiding als eenmansfractie en zijn opbouw van een eigen partij van op afstand meegemaakt. Beantwoordt dat je vraag?“
Het zegt niet wat je van hem en zijn ideeën vond…
Moragie: “Aanvankelijk hoopte ik dat hij de ‘open wonde’ aan de rechterzijde met een fatsoenlijk partijdoekje zou deppen. Na de dood van Fortuyn en de ondergang van de LPF was ik bang dat een échte fascistische partij het aanzienlijke gat zou vullen. Als Wilders dat zou doen met weliswaar wat al te krachtige uitspraken maar ook met een programma dat als neo-conservatief zou kunnen worden getypeerd en dat daarmee toch nog binnen het democratisch spectrum zou blijven was dat volgens mij winst. De opkomst van een extreemrechtse partij á la het Vlaams Belang zou worden afgeblokt. Wat mij hoop gaf was dat hij de coryfeeën van de oude LPF links liet liggen en zich ook met succes tegen het binnendringen van louche types wist te verzetten. De Partij Voor de Vrijheid, waarin de Groep Wilders veranderde, kwam in eerste instantie ‘normaal’ over. Maar de evolutie die sinds de verkiezingen van 2006 zichtbaar is geworden belooft weinig goeds. De uitspraken van Wilders worden steeds radicaler. Ook het feit dat hij binnen de partij alle touwtjes in handen heeft en de leden geen enkele inspraak geeft vind ik zeer bedenkelijk. Het lijkt erop of hij toch een doorsnee populist is geworden – of altijd al was.”
Dat laatste doet jouw Rietbergen in zijn Partij van het Boek ook. In hoeverre heb je hem op Wilders gebaseerd?
Moragie: “Ik heb hem niét op Wilders gebaseerd! Rietbergen is een andere persoonlijkheid. Hij komt zeer vlot over, spreekt voor de vuist weg, is gevat en beweeglijk. Wilders daarentegen komt geremd over, spreekt stroef en gebruikt vaak dezelfde formuleringen. Dan heb ik het overigens wel over de publieke Wilders. Onder vier ogen is hij veel rustiger, gevatter en genuanceerder. Bovendien staan de ideeën van Wilders en Rietbergen in sommige opzichten diametraal tegenover elkaar. Maar ik heb het traject dat Rietbergen vanaf het moment van zijn afscheiding aflegt natuurlijk wel gebaseerd op dat van Geert Wilders. Een schaduw van Wilders ‘werdegang’ is wel degelijk in het boek bespeurbaar.”
Opmerkelijk aan Rietbergen is zijn enorme politieke invloed met zijn ene zetel. Eigenlijk hoeft een populist de politieke macht niet te veroveren om zijn wil te kunnen doorzetten, lijk je te zeggen, hij moet enkel ervoor zorgen het debat te domineren of zelfs maar in the picture te blijven…
Moragie: “Juist. De dreiging van een verkiezingsoverwinning is even effectief als de verkiezingszege zelf. Het aantal zetels dat hem in de peilingen wordt toegewezen is voor een populist daarom even reeël als de kamerzetels zelf. Maar wat populisten á lá Rietbergen ook erg helpt is het opbod aan populisme van de gevestigde partijen. Als Alexander Pechtold van het links-liberale D’66 de Armeense genocide bagatelliseert om daarmee kiezers van Turkse afkomst te paaien (wat hem gelukt is), maakt hij zich schuldig aan populisme. Als Jan Peter Balkende van het CDA belooft de normen en waarden in ere te herstellen eigenlijk ook. De mogelijkheden van politici via wetgeving ons leven op korte termijn drastisch te vergemakkelijken of verrijken zijn uiterst beperkt. Elke politicus met ook maar een beetje verstand wéét dit. Dat er toch steeds meer wordt gegrossierd in slogans en instant-oplossingen is daarom doelbewuste manipulatie van een goedgelovig kiezersvolk. En hoe meer fatsoenlijke politici dat doen, hoe fatsoenlijker de populisten lijken…”
Maar via een uitspraak van een van je personages geef je uiteindelijk de kiezers zelf de schuld…
Moragie: “Natuurlijk. Als het aantal kiezers dat daadwerkelijk geloof hecht aan al die vlotte praatjes zich zou beperken tot de inwoners van een handvol achterstandswijken was er geen vuiltje aan de lucht. Maar omdat steeds meer mensen onwerkelijke instant-oplossingen verkiezen boven werkelijke en moeizaam bereikte compromissen groeit het legertje populisten en het aantal zetels dat zij bezetten. Beloven dat Europa morgen socialistisch zal zijn is even onzinnig als beloven dat morgen alle grenzen dicht gaan. Als Al Gore op een popconcert staat te brabbelen dat met zijn aanpak de klimaatsverandering kan worden gestopt doet hij hetzelfde als al die andere populisten: “het is allemaal enkel een kwestie van goede wil. Stem nou maar op mij en dan wordt alles weer net zoals in die goede oude tijd.” In feite heeft ieder van ons de eerste stap op het lange pad dat naar het stemmen op een populist leidt al gezet als hij of zij klaagt over de ‘saaiheid’ van een politicus. Een politicus is geen clown of entertainer. Daarvoor hebben we het circus. Enkel de gedegenheid van zijn bestuur telt. Als we dat nou maar snappen komt alles wel goed met de politiek. Zo, en die laatste zin leek me een leuke populistische uitsmijter om het gesprek mee te eindigen.” |